EXTRA-EDU
NEWS
News

News
De keuze van de conservatoren 2

In de keuze van schilderijen, tekeningen en beelden uit de verzameling van de twintigste eeuw wordt de nadruk gelegd op de verschillende vormen en nuances van abstractie en op het wegdeemsteren van het herkenbare beeld. In de opstelling worden deze twee zeer verschillende verschijningsvormen van deze uitdrukkingswijze in hun uiteenlopende varianten en tussenoplossingen verwerkt.

De vormleer van de abstracte kunst ontwikkelt zich los van de ervaringswereld. Ze geeft aanleiding tot een esthetische ervaring in de spanning tussen de formele ordening en de uitwerking van veelal meetkundige vormen en uniforme kleuren enerzijds en het immateriële begrip van verhoudingen, kleurevenwicht en –spanning en de globale structuur anderzijds. De schilderijen zijn vlak, zonder illusie van ruimte. De sculpturen zijn driedimensionaal maar geen deel van een extern verhaal. Voorbeelden in de opstelling zijn de werken van Amedée Cortier, Luc Peire, Josef Albers, Blinky Palermo of Donald Judd. Deze kunstwerken verwijzen niet naar enig object in de reële wereld. Ze kunnen niet ‘verteld’ worden. Een rechthoek is een rechthoek en rood is rood. De toeschouwer mag natuurlijk een ‘vertel’betekenis geven aan, bijvoorbeeld, de kleur rood, maar ze is facultatief en extern aan het werk.

In niet-figuratieve schilderijen is de band met de ons omgevende werkelijkheid niet volledig doorgeknipt. De voorstellingen herinneren aan organische vormen en laten de associatieve interpretatie vrij spel. Dikwijls zijn ze de uitdrukking van een gemoedsbeweging of gewaarwording die de kunstenaar met de hem eigen uitdrukkingsmiddelen aan de toeschouwer wil meedelen. De ruimtelijke illusie van het perspectief is opgedoekt maar de schim van de ruimte is daarom nog niet helemaal uitgevlakt. We kunnen dit waarnemen in de tentoongestelde werken van Jean Degottex, Gaston Bertrand en Jean Paul Riopelle. De ervaring van niet-figuratieve kunstwerken spiegelt zich meestal niet aan een symbolische betekenis van een beeldelement, zoals bij abstracte werken soms wel mogelijk is. Hier wordt eerder opgeroepen om zich in de stemming van het kunstwerk in te leven.

Vanzelfsprekend laten kunstenaars zich niet te veel door één principe leiden en maken de kwaliteiten van hun kunstwerken aanspraak op een veel breder scala van interpretatie- en ervaringsmogelijkheden. In De keuze van de conservatoren 2 worden deze beeldende diversiteit en externe classificatiedrang tegen elkaar uitgespeeld door in de opstelling uitgekozen verwantschappen te verwerken. De opmerkzame toeschouwer wordt zodoende uitgenodigd om de esthetische continuïteit tussen Alberto Burri, Jean Dubuffet en Giuseppe Penone of de breuk tussen Louis Buisseret en Gust De Smet te ontdekken. De formele opeenvolging van de schilderijen van Amedée Ozenfant en Alberto Magnelli leidt naar Oppervlakte 327 van Giuseppe Capogrossi, waarvan het tekenkarakter dan weer de weg wijst naar Roman Opalka, Cy Twombly en Joseph Kosuth. De tentoonstelling begint echter met twee werken van Marcel Broodthaers die bij het nouveau réalisme aanleunen en die leiden naar een ensemble van pop kunst.

 
Ook in de gekozen sculpturen zal de kijker verschillende gradaties en types van gebondenheid aan het herkenbare object of de vertrouwde figuur onderscheiden. In het spoor van de antieke traditie vertegenwoordigt  “Luco” van Charles Leplae het figuratieve bronsgieten dat binnen het animisme van de jaren ’30 weer opgang maakt. Enkele jaren eerder had de kubist Pablo Gargallo’s met diverse stukken plaatmetaal een driedimensionele “Danseres” geconstrueerd, een wervelend ritme van open en gesloten vormen en frivole lijnvoering. De “ Jonge vrouw” beeldhouwt Oscar Jespers in exotisch hout waarmee hij de anatomie tot goed uitgebalanceerde, gladde geometrische vormen essentialiseert. Eugène Dodeigne daarentegen kiest voor een uitgesproken organische beeldtaal en vat de elegantie van zijn filiforme “Vrouw” in de grillige lijn van het hout waaruit ze gesneden is. Verwijzingen naar de menselijke figuur nemen in aantal af. Hoewel Emilio Gilioli met “de Krijger” aanknoopt bij een historische iconografisch motief, heeft zijn monumentaal idioom zich bevrijd van het bijhorende referentiekader. Pol Bury en Nicolas Schöffer benaderen de ruimte en beweging los van enig verhaal. Daar waar de kinetische poëzie van Bury uitnodigt tot een subtiele, intimistische tijdservaring, wenst Schöffer de perceptie tijd en ruimte in één rijk gefacetteerd monument van blinkend chroom te vatten. In het “nouveau réalisme” ten slotte maakt de kunstenaar Arman radicaal komaf met alle halfslachtige verwijzingen naar de realiteit: zijn accumulaties zijn immers opeenstapelingen van reële, concrete objecten, ontleend aan zijn dagelijkse omgeving en zonder ook maar enige artistieke of culturele aura.

Maar het centrum van de tentoonstelling wordt ingenomen door twee werken van Henri Matisse, Oceanië: de zee en Polynesië: de lucht. De vormen zijn herkenbaar én geabstraheerd; zonder horizon, maar niet in een vlak; een tekenmatige uitbeelding (ideogram) en een herkenbare afbeelding; een structurele (all-over) opbouw maar geen rasteropbouw. In de werken aan de overkant zien we deze tweeledige benadering nogmaals bij Matisse, bij Willi Baumeister en Victor Servranckx. Honderd jaar keuzeverwantschappen worden ten slotte overspannen met de modernistische beeldanalyses van Rik Wouters en Jules Schmalzigaug.

 


Curatoren
Frederik Leen & Francisca Vandepitte